Ik kookte wat er was. Rijst is iets van elke dag. Als toespijs bij de rijst aten wij groenten en meestal iwak loh (verse vis) uit onze eigen vijver. Bethik, wader en pataka (vissoorten). Als groenten aten wij kangkung (waterplant), godong telo (jonge bladeren van de cassave plant), kouseband. Vlees aten wij niet vaak, heel soms als er iemand langs kwam om vlees te verkopen en als er een feest was. Kruiden gebruikten wij niet veel, hooguit uien, knoflook, zout en peper. Andere smaakmakers waren trasi (pasta van gefermenteerde vis of garnalen), selderij en tomaat.
Bij de chinees in het dorp konden wij de kruiden kopen en selderij en tomaat plantten mijn ouders zelf.
Als er bij ons thuis een slametan werd gehouden, maakte mijn moeder de ambeng (de slametanmaaltijd) niet met vlees maar met vis. Wij hadden wel kippen, maar die waren voor de verkoop.





