Ik kookte rijst in een ijzeren pan met drie poten, een kendil. De rijst waste ik en ik deed er water in. Ik schatte zelf in hoeveel water er in moest. Ik wist het zo ongeveer omdat ik mijn moeder het zag doen. Als de rijst kookte, schepte mijn moeder het kokende rijstewater op. Daar werd vroeger een snufje zout in gedaan en aan baby’s gevoed. Dat was vitaminerijk zei men. Als het water al bijna is opgenomen door de rijst, wordt de mond van de kendil dichtgemaakt met bananenblad en dan pas met het deksel. De damp die op de bananenblad komt, wordt gebruikt om het gezicht schoon te maken. Voor mensen die last hadden van puistjes was dat goed.
Terwijl ik bij feesten van andere mensen veel hielp, werd ik niet geacht op mijn eigen feest in de keuken te staan. Dat was niet gebruikelijk. Ik moest het overlaten aan anderen. Mijn rol was om er voor te zorgen dat er geld genoeg was om van alles en nog wat in te kopen voor de bereiding van de feest gerechten voor de slametan.
Bij de organisatie van zo’n feest zijn er enkele belangrijke mensen die de coördinatie op zich nemen:
- een tukang setoor (store = winkel, voorraad), draagt zorg voor de inkoop
- een tukang jodi, draagt zorg voor de klaargemaakte gerechten (masakan mateng)
- een tukang ngadang, draagt zorg voor het klaarmaken van de rijstgerechten
- een tukang wedang, draagt zorg voor thee
- een sinoman, die de bediening van de gasten overziet.
Ik moest me erbij neerleggen dat ik zelf niets mocht doen. Ik moest er op vertrouwen dat alles goed gebeurde, want het zijn mensen die ik kende. Als je zelf goed werk levert bij anderen doen anderen automatisch ook goed hun best om het voor jou even goed te doen.





