Brayen Atmokario

Ik ben Brayen Atmokario. Ik ben sinds kort in Nederland. Ik heb 26 jaar in Suriname gewoond, daar heb ik de MTS gedaan en ongeveer vijf jaar gewerkt. Drie jaren geleden ben ik naar hier gekomen voor mijn vrouw Ruby-Ann. En nu ben ik hier en werk ik hier ook. Het bevalt goed, maar ik denk wel elke dag terug aan Suriname. Ik denk dan aan familie, aan vrienden en aan collega’s. Eigenlijk het totaalplaatje. Vooral het weer ook. Ik heb niet zo erg last van heimwee als in het begin, maar toch elke dag wanneer ik naar het werk rij en ik alleen in de auto zit, dan vraag ik me wel af waar ik naar toe zou gaan als ik in Suriname was. De overgang van het eten en de manier van eten was gemakkelijk, omdat we allebei Surinaams-Javaans zijn. Mijn moeder kon niet zo lekker koken. Ze is en blijft mijn moeder, ik hou van mijn moeder. Maar ze is niet zo een prinses in de keuken. En nu heb ik een prinses in de keuken. Qua eten is er niet veel veranderd, het is alleen maar beter en lekkerder.

Hier heb ik nog nooit echt typisch Nederlands gegeten. In Suriname wel. De Nederlandse vriendin van een vriend van me had stamppot gemaakt. Aardappelen met wortelen en een halve rookworst. In Suriname is er al gelijk warm eten als je wakker wordt, dus dan ga je rijst eten. Maar hier eet je pas om zes uur warm, omdat je tot vijf uur werkt. Het kan niet anders. Maar vroeger, toen ik in Suriname was, bracht ik wel rijst met kip en groenten mee naar het werk. Dat is wel iets anders hier. Hier vind ik het ook niet zo passen, als je rijst naar het werk zou brengen. Ik eet nu brood tussen de middag, maar dan wel een hartig broodje.

Ik heb van mijn zus leren koken eigenlijk. Ik stond altijd achter haar als ze bezig was met koken. Dan keek ik wat ze er allemaal in deed en soms moest ik haar ook helpen. Ik moest soms uien schillen en dat soort dingen. Meestal moest ik boodschappen doen. Dan gaf ze me een lijst met alles wat ik moest kopen en zo heb onthouden wat er in een gerecht hoort. Soms als mijn moeder niet thuis was en er geen eten was belde ik mijn zus die toen al niet meer thuis woonde om te vragen wat ik moest doen en wat ik moest gebruiken. De eerste keer ging het gelijk goed en toen merkte ik dat ik kon koken, haha. Zo heb ik zelfvertrouwen gekregen om door te gaan met koken. Wat ik maak is saoto, bruine bonen, cassavesoep, groentesoep met verschillende Surinaamse groentes erin, zoals tayerblad, stukjes aardappel, oker en antroewa. Dat is heel gezond, kragti-soep noemen ze dat. Als Ruby-Ann verkouden is, maak ik dat voor haar klaar. Wat ik ook lekker kan maken is masala kip, lamsvlees, kreeft of krab. Maar dan wel altijd scherp, met extra peper. Dat heb ik ook van mijn zus geleerd, mijn familie eet heel erg veel peper. Mijn zus is zes jaar ouder dan ik. Ik hou ervan als zij sambel goreng iwak asin maakt, dat is zoute vis. Maar ze kan eigenlijk alle Javaanse dingen bereiden, ze kan ook lekkers maken. Ik hou er zelf niet van om lekkers te maken, dat neemt veel tijd in beslag. Ik hou meer van koken.

Tjauw min mis ik wel uit Suriname. Wat ze hier verkopen smaakt echt heel anders. Verder kan ik alles wat ik lust hier ook vinden. Ik eet eigenlijk van alles, ik heb er geen moeite mee. Eten is niet belangrijk voor mijn thuisgevoel. Ik zou ook elke dag aardappel eten, dat maakt niet uit. Wij kunnen het wel variëren. Ik doe er wel peper bij, sambel ketchup, kecap of pecel. Als we uit eten gaan missen we soms wel sambel. Ik ben zo gewend aan sambel, dat maakt het zo lekker. Voor ons is het echt een finishing touch. Het hoort er gewoon bij. Ik mis wel af en toe vleesworst, bloedworst en bere. Zulke vieze gerechten vind ik ook wel lekker. Dat heb je wel in Amsterdam. In de toko heb je het ook, maar dan komt het uit de diepvries.

Waar ik ook aan moest wennen, is barbecueën hier in Nederland. Als je naar een Surinaams feestje gaat en er wordt gebarbecued, dan staat er iemand achter de grill en hij doet al het vlees en dan mag je lekker wachten tot het gaar is. Vervolgens kun je gaan eten. Hier merkte ik tijdens een bedrijfsbarbecue dat je zelf een keuze moet maken en dan het vlees op de barbecue moet leggen. Ik moest wel even wennen aan het feit dat je zelf je vlees moest barbecueën. Maar sommige dingen moet je niet te serieus nemen, je moet je gewoon aanpassen. De maatschappij hier is gewoon zakelijk, ieder voor zich. In Suriname is je collega gelijk je vriend, zo voelt het aan. Maar hier is het echt zakelijk: collega is collega en vriend is vriend. Ik kijk nog altijd de kat uit de boom, langzamerhand weet je ongeveer hoe je je moet opstellen. In Suriname geef je je zelf vrij, maar hier niet zo snel.

In Suriname heb je verschillende bevolkingsgroepen. Mijn moeder is half Chinees en half Javaans, dus zij kan niet zo goed Javaans praten. Mijn vader kan dat wel heel goed. Maar hij sprak nooit Javaans tot ons, hij sprak altijd Surinaams. In Suriname had ik geen opa en oma meer, vandaar dat ik in Suriname weinig Javaans heb gesproken. Maar als je wat ouder wordt dan gaat er wel een lichtje branden, dat gebeurde toen ik hier in Nederland kwam. Hier in Nederland heb ik er zoveel oma’s en opa’s bij gekregen. En zo is het eigenlijk begonnen dat ik meer Javaans ben gaan verstaan en praten. Daardoor ben ik me ook meer Javaans gaan voelen. Ik ben meer Surinaams grootgebracht en ik heb ook niet veel gevraagd naar cultuur en ook niet over familie. In Amsterdam woont een oom van mij en elke keer als ik daar ga dan vraag ik hem iets over familie. Ik had ook niet zo’n goede band met mijn vader, we konden niet zo vrij praten. Nu ik ouder ben wil ik meer weten over mijn familie. Het boek van Hariëtte en Yvette (Stille Passanten) ben ik gaan lezen en het heeft mij wel geraakt. Ik ben er wel bewust van geworden dat ik trots mag zijn op mijn afkomst. Dus ik zou Javaanse jongeren wel aanraden om dat boek te lezen.

We zullen Surinaams-Javaans blijven koken, zolang alle ingrediënten hier te vinden zijn. We willen het zeker overbrengen aan nakomelingen. We hebben het niet voor het zeggen, maar dat zouden we graag willen doen. Wat niet zo snel zal worden overgedragen zijn die lekkernijen, denk ik. Mijn zus kan kemplang maken, ik niet. Die gerechten vind je als je naar een pasar malam gaat, alleen oma’s kunnen dat maken. We leven in Nederland, waar iedereen werkt dus er is niet zo veel tijd om lekkernijen te maken. Ik ben wel bang dat dat soort dingen verdwijnen. Vroeger maakte ik sugri, dat is gestampte brong-brong met suiker erin. En wat ik me heb laten vertellen is dat peyek voor een trouwerij is. Vroeger, als men zag dat een jongen en een meisje elkaar leuk vonden, werd je geplaagd: ‘Wanneer gaan we peyek eten?’