Kastoemi Tosendjojo-Rasban

Ik heet Katoemie Kasban. Ik ben op 1 april 1928 op Rust en Werk geboren.  Ik heb tot mijn zevende jaar in Rust en Werk gewoond en daarna ben ik naar Paramaribo gegaan. Ik ging met Mak Masiah mee. Zij heeft voor mij gezorgd. Mijn moeder had zoveel kinderen en volgens mij was ik weggegeven om door Mak Masiah verzorgd te worden. Mak Masiah werkte bij de familie Brunings. Zij was de kokkin.  Er werd goed voor mij gezorgd. De familie Brunings hield van mij. Mak Masiah kookte van alles. Brunings hield van Javaans eten, maar Mak Masiah kon ook zuurkool koken, met wortel en rundvlees. Zij brandde ook zelf koffie en cacao. Brunings was directeur op plantage Rust en Werk. Hij jaagde graag op eenden en watervogels en de buit maakte Mak Masiah klaar. Als zij kookte keek ik toe. Ik bleef tot mijn twaalfde jaar bij haar.

Ik werd door mijn moeder teruggehaald en uitgehuwelijkt. Ik werd mooi gemaakt maar wist niet dat ik werd uitgehuwelijkt. Er werden vroeger rare dingen uitgehaald.

Ik kon toen niet koken. Mijn schoonmoeder kookte en ik stond te kijken als zij kookte. Ik was nog een kind. Zij begreep dat en zij accepteerde dat. Ik voelde me bij hun niet echt thuis. Ik moest hard werken en rijst stampen (noetoe). Ik kon het niet aan en wilde weer terug naar mijn moeder. Toen ik ziek werd, brachten ze mij terug naar mijn ouders. Mijn man Karno kwam mij niet opzoeken. Hij kwam mij niet terughalen. Zo ging mijn huwelijk vanzelf over.

Mijn ouders hadden mij later aan een andere man gekoppeld. Ook van hem hield ik niet. Ook toen kookte mijn schoonmoeder. Ik hielp alleen met snijden en schoonmaken.
Op gegeven moment heb ik wel leren koken. Als je geen honger wilt lijden, leer je het vanzelf.

Ik kookte eerst op hout met een gietijzeren pan op 3 poten. Thee kookte ik met een boter blik. Ik kookte beton; dat zijn de pitten van de nangka. Ik liet ze drogen, pelde ze en maakte het klaar met iwak garing. Het smaakt net als bruine bonen.

Wij hadden niet veel geld vroeger. Ons inkomen was klein en wij aten veel batjauw (Surinaams woord voor gezouten kabeljauw), eling (Surinaams woord voor gezouten haring) en boku (Surinaams woord voor gerookt en gezouten bokking). Dat kon je al voor een dubbeltje (10 cent) kopen. Verse vis en kip hadden wij zelf. Wij kweekten kippen op het erf, ze konden vrij rondlopen.

Onze keuken had een lemen vloer met dakbedekking. Gereedschap was er maar niet veel. We hadden het niet goed. Nu is het anders. Zoals ik het vroeger had zouden jullie niet overleven. Rijst moesten wij zelf planten en zelf pellen met de rijststamper (ditoetoe). Alles zelf. Met mijn tweede man bleef ik slechts een jaar en rende ik weg. Ik ging terug naar mijn moeder. Hij was jaloers en hij was niet goed voor mij. Toen ik wegging zag ik een hindostaan met een ezelskar. Ik vroeg hem of ik met hem mee mocht naar Livorno. Hij zei, je mag zitten voor een kwartje (25 cent). Mijn moeder vond het niet goed dat ik van mijn man was weggegaan, maar ik wilde niet naar hem terug.

Ik woonde met 5 van mijn broers en zussen bij mijn ouders. Mijn moeder kookte in een hele grote pan. Ik moest helpen op de sawah. Ik herinner me dat zij altijd grote hoeveelheden inkocht omdat wij met zoveel waren: teri een hele grote blik.
Mijn ouders plantten zelf groenten, van alles kouseband, tayawiri. Wij hadden een sloot aan de voorkant van het huis. Daarin konden wij vissen. Als wij vis kregen werden de vissen gebakken.

Ik heb uiteindelijk lang gewoond bij mijn ouders totdat ik weer trouwde. Mijn eerste twee kinderen met deze man heb ik bij mijn ouders gehad. Daarna ben ik op mezelf gaan wonen en konden wij een eigen huishouden opzetten. Koken leerde ik uiteindelijk door te kijken, vooral als ik bij anderen hielp. Slametans houden heb ik mijn kinderen niet geleerd, maar koken heb ik ze wel geleerd.

Ik heb ervaring om met hout, houtskool en een primus te koken. Als ik een feest had kon ik het niet zelf aan om zelf te koken. Dat moet worden gedaan met anderen, dus vroeg ik om hulp. Vroeger moest alles zelf worden gedaan. Er is niets kant en klaar te verkrijgen. Zelfs rijstmeel moest jezelf malen. Bij een feest heb je altijd mensen die gespecialiseerd zijn in het koken. Er werd van alles klaargemaakt: serundeng, sego gudangan, jenang abang putih, jenang abang, jajan pasar, sego golong, ingkung. Er zijn verschillende soorten slametans en dat vereist verschillende manieren om de gerechten te presenteren. Sego asang wordt op een tampah gezet. En dan worden er bijgerechten gezet. Sego golong wordt in een kommetje gevormd met bananenblad erom heen. Daar hoort inkung pangang bij. Sego gudangan bestaat uit rijst, gudangan en ei.

Bij overlijden wordt sego pungkur gemaakt. Dat is rijst in tumpeng vorm en de tumpeng wordt met een touw door midden gesneden en met de ruggen tegen elkaar gezet. Dat wordt op de eerste dag na overlijden gemaakt. Op de zevende, veertigste, honderdste en duizendste dag wordt een slametan gehouden. Bij al deze slametans moet er altijd apem en pasong zijn. Op de duizendste dag, de Ruwah Rasul slametan worden klaargemaakt jenang abang, jenang putih, gedang setangkep, soeroan, gudangan, ambeng asan. Het laatste bestaat uit ingkung en, sego kuning , pejek, sambel goreng, sego golong en pangang, serundeng, jajan pasar, kacang godok. Jajan pasar is een verzamelnaam voor zoetigheid zoals gekookte bananen, zoete patat, suikerriet, sinasappelen, snoep.
Helaas kan ik de betekenissen niet vertellen. Alleen de kaum weet dat, hij legt het uit tijdens een slametan. Wij krijgen alleen te horen wat er klaargemaakt moet worden.

De organisatie van een slametan is in handen van degene die het feest geeft.
Meestal weet men precies wie wordt gevraagd om te helpen. Dat wordt rewang genoemd en een ieder heeft eigen deskundigheid in het maken van de tratak (feesttent) en gerechten. Voor sambatan tratak wordt de menskracht gevraagd, voor de versiering met janur heb je ook speciale mensen. Meestal delen jonge mensen het eten uit voor de gasten. Dat zijn de sinoman of tukang. Soms is er een pengarep een voorman of voorvrouw. Bij grote feesten heb je ook een Jodi, een soort beheerder (man of vrouw) over de boodschappen, de barang mentah. Als de gerechten al zijn klaargemaakt, is de beheerder een vrouw.

Vroeger kregen de mannen die helpen tabak. White Ox was in Suriname het meest gangbaar. De vrouwen kregen na afloop een portie eten om mee te nemen naar huis.

Wanneer het feest groots gevierd wordt, worden vooral aan oude mensen pakketjes met het klaargemaakte eten gestuurd. Dat wordt munjong genoemd.

Ik deed vroeger na wat mijn moeder deed, maar vanaf ik op Moengo woonde ben ik zelf naar de moskee gegaan en heb ik niet meer meegedaan met slametan. Ik kon toen zelf koran lezen en ben ook naar Mekka gegaan. Ik heb geleerd dat als je overleden bent het afgelopen is en het daarom niet nodig is om slametans te doen.

In Nederland moet je eten wat er is. In Nederland is alles te makkelijker te verkrijgen in de winkels. In Suriname had ik een grote keuken, hier is de ruimte veel kleiner. In Nederland heb ik nooit een groot feest gehad. Met bada (Idul Fitr) maak ik eten klaar voor ons zelf. De kinderen kunnen alles zelf maken.

Javaans spreken is tegenwoordig een probleem voor de jonge generatie. Eigenlijk moeten ze de tradities kennen en moeten ook weten wat er moet gebeuren als er iemand komt te overlijden. Daarom vind ik het goed dat er initiatieven als deze worden genomen om de tradities vast te leggen.