Soeratmi Parmo

Ik ben in 1940 op Meerzorg geboren. Mijn ouders kwamen uit Indonesië. Zij hadden 7 kinderen gekregen, 5 meisjes en 2 zoons. Ik was het jongste kind. Mijn moeder overleed toen ik twaalf jaar oud was. Toen mijn moeder overleed waren de anderen al uit huis. Ik bleef over en kreeg de verantwoordelijkheid om te koken voor mijn vader.
Toen mijn moeder stierf had ik eigenlijk nog niet leren koken. Ik moest wel koken. Ik heb mijn moeder vaak geholpen met uien snijden en zag wel wat ze deed. Ik kookte wat ik kon.

De keuken van mijn ouderlijk huis was erg eenvoudig. De kookplaats is gemaakt van twee rijen stenen die op elkaar zijn gestapeld en ertussen wordt het vuur gemaakt. Wij kookten met hout. Mijn moeder had niet zo veel keukengerei. Ze had een zwarte kendil, een wajan. Water werd gekookt met een oude blik, we hadden niet eens pannen. Thee werd gezet in een grote aluminium theepot en de hele dag werd daarvan gedronken. Verder was er een iroos, eroh-eroh, soetil, piring seng, tampah. De borden werden gerangschikt in een lerak.

Aan bumbus gebruikten wij alleen brambang, bawang, trassi, suiker. Dat was alles, maar toch was het eten lekker. Ik weet eerlijk gezegd niet hoe het komt dat het tegenwoordig niet meer smaakt als je alleen deze ingrediënten gebruikt. Hoe komt het dat als ik nu rijst bak met trassi dat het niet lekker is zoals vroeger? Zou het komen omdat wij toen zo arm waren, dat alles wat je had goed smaakte? Vroeger aten wij intip, omdat wij niet genoeg rijst hadden en dat aten wij met geraspte kokos. Dat smaakte toen wel, maar nu niet meer.

Ik heb leren koken doordat ik hielp bij buren en bij mijn zus. Door te kijken, na te doen en zelf te proberen om kruiden toe te voegen heb ik mijn eigen manier van koken en smaak ontwikkeld.

Mijn ouders waren landbouwers. Geen van mijn ouders werkten buitenshuis. Wij leefden van de grond. Wij plantten rijst en andere gewassen en dat aten wij zelf op en verkochten dat op de markt. Mijn moeder verkocht op de markt en ze bracht mij weleens mee om haar te helpen.

Ongeveer in 1966 had ik voor het eerst mijn eigen grote feest, dat was voor de besnijdenis van mijn twee zoons. De oudste was 11 jaar en de jongste 9 jaar oud en ik was op dat moment 26 jaar oud. Ik liet mijn zoons samen besnijden. Dat scheelt weer in de kosten. De voorbereidingen werden gedaan door mijn schoonzus. In die tijd was er meer mogelijk bij het koken. Er waren veel meer producten te koop zoals maggieblokjes. Mijn man was bekend in de omgeving omdat hij actief was met gamelan, javaanse dansen en ludruk. Daarom verwachtten wij veel gasten. Er werd veel gekookt. Een koe werd geslacht en ik had zelf 120 kippen gekweekt en die werden ook geslacht. Gelukkig niet allemaal, ik hield nog wel wat over. Degenen die hielpen was een tukang jodhi en een tukang peracih. De tukang jodhi hield zich bezig met de inkopen. Die hield de wacht bij de rijst, suiker enz. terwijl de peracih het beheer had over de klaargemaakte gerechten en over de bediening.

Wij hadden pakjes eten gestuurd naar mensen in de straat. Dat is een traditie die munjung wordt genoemd. Als je een pakket (punjungan) ontving moest je een sumbangan (bijdrage) geven. Als je dat niet deed voel je je niet prettig want je hebt immers een punjungan ontvangen. Het was een manier om van mensen een bijdrage te vragen. Dat was vroeger niet veel. Mensen konden niet zoveel geven. Een gulden tot twee gulden was al veel. Soms wordt alleen een punjungan gestuurd naar mensen met een pangkat (mensen met een ambt, zoals dorpshoofd, dorpsonderwijzer). Dat hangt van de feestgever af. Die beslist wie een punjungan ontvangt. Voor de slametan werd van alles klaargemaakt: sega gurih, vlees, gudangan, serundeng, sambel goreng, pergedel, jajan pasar, zo veel dingen. Dat werd gepresenteerd in een ambeng en na de zegening wordt de ambeng verdeeld onder de aanwezige gasten. Bij de zegening noemt de voorganger alles op en zegt erbij voor wie het is bedoeld; hij alleen weet dat. Ik begrijp er niet zoveel van.

Dat was de allereerste en de laatste keer dat ik een slametan heb gehouden. Daarna niet meer. Ook niet hier in Nederland. Het hoefde voor mij niet. Wel heb ik altijd voor mijn overleden ouders sajen gezet. Dat doe ik met punggahan en met bada/Idul Fitr. Bij punggahan, zo zegt men, komen de overledenen vrij uit hun ‘gevangenschap’ en komen op bezoek. Voordat ze naar huis gaan, moet je hun te eten geven. Ik maak apem, pasong, en andere lekkere gerechten die ik aan mijn overleden ouders schenk. Eigenlijk is het niet alleen voor mijn ouders maar voor alle familieleden die gestorven zijn. Het hangt zelf van mij af wat ik hun wil geven. Deze traditie heb ik niet van mijn ouders geleerd maar van de buren, mensen die in het dorp woonden deden dat allemaal.

Mijn tweede man, de vader van mijn dochter Irene, die had een wens voordat hij overleed. Hij zei, onze dochter weet niet veel van tradities af. Als ik er niet meer ben hoef je niet veel voor mij te doen, maar wat ik graag wil is lippenstift, poeder, parfum en brood. Soms heb ik helemaal geen zin om het te doen, maar dan denk ik is het wel goed als ik het niet doe. Ik voel me er niet prettig bij. Op de een of andere manier voel ik me wel verplicht om aan zijn wens te voldoen. Soms wil ik de oude geven, maar ik koop uiteindelijk toch nieuwe. Dat doe ik elk jaar en elk jaar twee keer met punggahan en Ba(k)da.

Ik weet niet of ik moet geloven dat er dan iets zal gebeuren, maar mijn nichtje vertelt dat zij een keer heeft meegemaakt dat zij sajen heeft gezet met een fles ongeopende Cola erbij. Midden in de nacht werd zij wakker omdat zij gesnurk hoorde. Zij dacht dat haar man snurkte maar het bleek niet zo te zijn. Ze stond op en ging kijken waar het geluid vandaan kwam en zag een slang om de fles Cola. Zij maakte haar man wakker om te kijken, maar de slang was weg. Daarna besloten ze de fles Cola open te maken. Ik weet zelf niet wat waar is van dit verhaal, maar mijn nichtje gelooft heilig dat de doden daadwerkelijk langskomen.

Ik ben naar Nederland gekomen vóór de onafhankelijkheid van Suriname, in 1974. Ik werd opgevangen door de nicht van een vriendin die al in Nederland woonde. Ik ging weg niet omdat ik bang was voor de onafhankelijkheid, maar omdat ik veel problemen had in mijn huwelijk. Ik wilde weg. Ik had koeien en die verkocht ik om een ticket te kopen en vertrok. Ik bracht mijn jongste zoon mee. Hier had ik problemen omdat ik niet met mijn zoon op een kamer mocht wonen. Ik woonde eerst in bij iemand en later huurde ik een woning en zocht ik naar werk. Via het arbeidsbureau kreeg ik werk bij een bedrijf voor plastic kantoorartikelen. Ik heb daar bij elkaar 13 jaar gewerkt. In de middag werkte ik in de schoonmaak. Ik werkte, spaarde en kon mijn andere kinderen en familie laten komen. Het bedrijf ging failliet en ik ging volledig werken in de schoonmaak. Dat heb ik uiteindelijk 26 jaar gedaan.

Zoals ik al zei heb ik niet meer aan slametans gedaan. Zelfs bij het huwelijk van mijn dochter, de sikom hebben wij heel eenvoudig gedaan. Mijn jongste zoon is in Suriname getrouwd.

In Nederland vind ik het makkelijker dan Suriname. Toen ik pas hier kwam was het niet zo. Ik heb nog meegemaakt dat wij alleen Nederlandse groenten kookten maar nu zijn Surinaamse groenten ook te krijgen. Wat in Suriname niet eens te krijgen is, is hier te krijgen. Nu moet ik voor familie in Suriname dingen brengen terwijl het vroeger andersom was. Ze zeggen dat de krupuk hier veel beter is dan die van Suriname.

Ik vind eerlijk gezegd dat hoewel ons eten eenvoudiger gekruid is dan het eten in Indonesië, het veel lekkerder smaakt. Ik ben twee keer naar Indonesië gegaan, maar ik lustte het eten niet. Ik at liever gewoon gebakken vis of ei. Ik heb soto geproefd bij de Borobudur, de soepkom was groot, maar het was niet lekker. Het was geel en het smaakte niet. Ik nam een paar hapjes en liet het staan. In Solo heb ik wel lekker gegeten, dat toen wij naar een Masakan Padang restaurant waren gegaan. Dat smaakte me wel goed. Ik at ook eens iets donkers, een donkere soep. Rawon heette dat. Ik vond dat niet lekker, het leek wel slootwater. Ik weet niet hoe het komt, maar het zal wel aan mijn tong liggen.

Mijn dochter Irene was vroeger niet zo geïnteresseerd in koken. Ze was niet zo nieuwsgierig. Als er maar eten was, was het genoeg. Tegenwoordig vraagt ze wel hoe ze gerechten moet klaarmaken. Mijn jongste zoon daarentegen houdt erg veel van koken. Ik kook nu niet meer zoveel. Ik lust ook veel minder te eten. Het lekkerst vind ik gewoon iwak malem en het moet heet zijn. Er moet sambel zijn. Dat maakt het eten lekker. Kip en rundvlees lust ik niet meer zo veel als vroeger. Ik maak nog graag hapjes, rempejek, chips, wajik. Een dat verkoop ik wel eens.

Ik heb weleens meegemaakt dat een jong persoon hielp bij het koken hier in de woongemeenschap en ik zei tegen haar, als je aardappelen bakt voor de smoor moeten de stukken bruin gebakken zijn. Dan zijn ze stevig en vallen ze niet uit elkaar als ze bij het vlees worden gevoegd. Ze was verongelijkt en had het opgevat als kritiek. Ik ben daarom heel voorzichtig met het leren van jonge mensen.