Wagijem Dawirodinomo-Karli

Ik heet Wagijem Dawirodinomo. Ik ben geboren op 8 juli 1935 en ik ben gehuwd met Nimin Karli. Ik heb drie kinderen, twee dochters en een zoon.

Ik ben geboren in Suriname. Mijn ouders komen uit Indonesie. Ze hadden al vijf kinderen toen ze in Suriname aankwamen, twee meisjes en drie jongens. In Suriname kregen ze nog drie kinderen. Mijn vader was een preman, geen contractarbeider. Hij kwam met het stoomschip Djember aan in Suriname.
Ik heb als kind altijd gewerkt samen met mijn vader en moeder. Ik ben niet naar school gegaan. Mijn zus ging werken toen ik al wat groter was. Ik bleef als jongste meisje thuis en moest thuis helpen in de kebon. Ik hielp mijn vader en moeder met planten, onze kostgrond schoonmaken en oogsten. Ik was ook degene die thuis kookte.

Ik heb van mijn moeder niet leren koken. Ik heb het haar wel zien doen en van alleen kijken moest ik op een dag zelf koken. De eerste keer dat ik moest koken, kookte ik rijst en als groenten kookte ik de jonge bladeren van de teloh rambat (zoete patat). Mijn moeder liet mij niet zien hoe ik het moest doen. Ze zei, kook maar. Alles is goed. Ik heb maar wat gedaan, de groenten had ik met uien, peper en terasi klaargemaakt. Oseng-oseng wordt het genoemd.

Ik kookte rijst in een ijzerenpot met drie poten, een kendil katel. De rijst waste ik en ik deed er water in. Ik schatte zelf in hoeveel water er in moest. Ik wist het zo ongeveer omdat ik mijn moeder het zag doen. Als de rijst kookte, schepte mijn moeder het kokende rijstewater op. Daar werd vroeger een snufje zout in gedaan en aan baby’s gevoed. Dat was vitaminerijk zei men. Als het water al bijna is opgenomen door de rijst, wordt de mond van de kendil dichtgemaakt met bananenblad en dan pas met het deksel. De damp die op de bananenblad komt, wordt gebruikt om het gezicht schoon te maken. Voor mensen die last hadden van puistjes was dat goed.

De keuken van mijn ouderlijk huis had een lemen vloer. Aan de wand waren er rekken. Daar werd het weinige dat wij hadden aan borden e.a. keuken gerei op een rij gerangschikt. Aan het plafond hing een touw waaraan een mand was vastgemaakt. In de mand deed mijn moeder haar kruiden: uien, knoflook, peper, zout, terasi. Wij kookten vroeger met weinig kruiden. Maggiblokjes had je niet. Het was voornamelijk terasi en zout om het eten een smaak te geven. Wij kookten op houtvuur. Als keukengerei hadden wij een kendil, een wajan, tampah, tenggok, seroh, iros, kortom dingen die wij elke dag nodig hadden. Wij hadden vroeger niet zo veel. Kleren werden niet gestreken. Mijn broers legden hun gewassen kleren onder hun kussen en als ze erop hebben geslapen is het glad. Wij sliepen niet op matrassen maar op een klosoh (gevlochten mat van waterhyacinth).

Ik heb eigenlijk vanaf mijn tiende jaar veel geholpen bij feesten. Zo heb ik leren koken. Door te kijken en na te doen. In Nederland heb ik dat voortgezet. Wij woonden aanvankelijk in Groningen, maar omdat de kinderen in het westen wonen, hebben wij ons gemeld voor een woning in de woongemeenschap Bangun Trisno in Den Haag. Hier in de woongemeenschap sta ik bekend als iemand die goed is in koken en ik word ook altijd gevraagd om te helpen.
Zelf heb ik grote feesten georganiseerd in Suriname. Wat ik me het best kan herinneren is het feest ter gelegenheid van de besnijdenis van mijn zoon. Wij hadden toen een koe geslacht. De koe was van ons zelf. Die hadden wij gekocht en verzorgd.

Terwijl ik bij feesten van andere mensen veel helpt, wordt ik niet geacht op mijn eigen feest in de keuken te staan. Dat is niet gebruikelijk. Ik moest het overlaten aan anderen. Mijn rol was om er voor te zorgen dat er geld genoeg was om van alles en nog wat in te kopen voor de bereiding van de feest gerechten voor de slametan.

Bij de organisatie van zo’n feest zijn er enkele belangrijke mensen die de coördinatie op zich nemen:
1. een tukang setor (store), draagt zorg voor de inkoop
2. een tukang jodi, draagt zorg voor de bereiding van de gerechten (masakan mateng)
3. een tukang ngadang, draagt zorg voor het klaarmaken van de rijstgerechten
4. een tukang wedang, draagt zorg voor thee
5. een sinoman, die de bediening van de gasten overziet.
Ik moest me erbij neerleggen dat ik zelf niets mocht doen. Ik moest er op vertrouwen dat alles goed gebeurde, want het zijn mensen die ik kende. Als je zelf goed werk levert bij anderen doen anderen automatisch ook goed hun best om het voor jou even goed te doen.

Ik heb ook geleerd om gerechten klaar te maken voor slametans en hoe ze moeten worden opgediend. Alleen weet ik niet wat de betekenis is van de gerechten. Daarvoor zijn er specialisten. Aan mij wordt alleen gevraagd om de gerechten klaar te maken. Ik ben dus een specialist koken voor slametans. Niet iedereen kan gerechten maken zoals de ingkung. Nu doe ik het niet meer zo vaak. Ik ben al oud en mijn echtgenoot is niet zo lang geleden overleden. De energie is bij mij niet meer aanwezig. Ik help hooguit met snijden en schoonmaken.

Ik vind dat feesten en slametans in Nederland niet anders worden ingevuld dan in Suriname. De gebruiken zijn hetzelfde. Het verschil is dat in Nederland alles zoveel makkelijker is. Geld is geen probleem. In Suriname was het in mijn geval wel een probleem. We moesten er lang voor sparen. Mijn man werkte in de wekverschaffing en wij leefden van zijn kleine salaris en wat onze kostgrond opleverde. In Nederland is ook alles te krijgen. In Suriname waren er tijden van schaarste. Zo was er een tijd dat er geen uien te vinden waren. Er was altijd wat, dan geen aardappelen, dan geen olie. Het kostte ook veel tijd en energie om alles wat je nodig had bij elkaar te verzamelen. In Nederland hoef ik alleen naar de markt en naar de toko te gaan en heb ik in één keer alles wat ik nodig heb. Het is hier overzichtelijker, eenvoudiger en kleiner. Er zijn minder kennissen en familie in Nederland in vergelijking met Suriname waar je bij wijze van spreken het hele dorp kan verwachten.

Ik heb mijn kinderen nooit leren koken. Zij hebben het zelf opgepakt. De kinderen doen in Nederland aan slametans.